EAW granted despite in absentia plea confirmation hearing: article 12 of the Dutch Surrender Act satisfied
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-086067-26
Datum uitspraak: 11 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 maart 2026 door the Regional Court, III Criminal Division in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeeïste persoon],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.G.S. Rozestraten, waarnemend voor mr. C.N.M.G. Starmans, beiden advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Świnoujście van 24 mei 2023 met kenmerk II K 704/22.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 87 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Voorafgaand aan de zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon bij e-mailbericht van 3 april 2026 aandacht gevraagd aan de officier van justitie voor het feit dat de opgeëiste persoon de reststraf van 87 dagen, uitgaande van de aanhouding op 23 maart 2026 en de sedertdien voortdurende overleveringsdetentie, bij het doen van uitspraak op 11 juni 2026 op enkele dagen na zal hebben uitgezeten. De raadsman heeft verzocht om de opgeëiste persoon de nog resterende dagen in Nederland binnen de 10-dagen termijn van feitelijke overlevering in detentie door te laten brengen en dus niet feitelijk aan Polen over te leveren. De officier van justitie heeft hierover ter zitting laten weten dat, als de overlevering wordt toegestaan, contact met de Poolse autoriteiten over feitelijke overlevering nodig zal zijn.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.3
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
4.1Arrest van het Hof van Justitie van 21 mei 2026
Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar.4 De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces.5
Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene.6
4.2Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub, b OLW. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon een deal heeft gesloten met de Poolse officier van justitie en deze deal door de rechter zou moeten worden bekrachtigd op een bekrachtigingszitting. Onder verwijzing naar het Dworzecki-arrest heeft de officier van justitie aangevoerd dat een dergelijke overeenkomst geen afstand van het aanwezigheidsrecht oplevert en een bekrachtigingszitting daarmee onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.7 Hoewel niet uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon rechtstreeks daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, is wel aan deze voorwaarde zoals gesteld in het Khuzdar-arrest voldaan. De Poolse advocaat heeft immers op de zitting medegedeeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingsdatum. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon op de zitting bevestigd dat hij twee advocaten heeft gemachtigd. Een waarnemend advocaat heeft uiteindelijk daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon op het proces gevoerd. Volgens de officier van justitie is het vaste jurisprudentie dat een machtiging van een advocaat zich ook uitstrekt tot een waarnemer of trainee van de gemachtigde advocaat.8
4.3Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank overweegt dat een beslissing van een rechter waarbij, buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon, een overeenkomst tussen het openbaar ministerie en de opgeëiste persoon wordt bekrachtigd, onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van de OLW valt. In die procedure is immers sprake van een behandeling ten gronde, omdat de rechter kennisneemt van het bewijs, dat bewijs waardeert en bij twijfel over de adequaatheid van de straf of de schuld de overeenkomst niet mag bekrachtigen, maar de zaak moet verwijzen naar een terechtzitting.9
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat in het EAB in onderdeel D is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. Ook in de onderhavige zaak is het daarom van belang dat gelet op eerder besproken Khuzdar-arrest voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
In het EAB staat vermeldt dat de opgeëiste persoon op 5 augustus 2022 een advocaat, Michał Zuraw, heeft gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in het vooronderzoek en dat hij op 19 december 2022 deze advocaat heeft gemachtigd om hem (verder) te vertegenwoordigen op het proces. Op de zitting van 24 mei 2023 is een waarnemend advocaat-stagiaire, [advocaat-stagiaire] verschenen, die daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Deze advocaat heeft destijds op de zitting bevestigd dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de datum van de zitting.
Uit de aanvullende informatie van 30 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon de Poolse autoriteiten voor het laatst op 12 december 2022 een correspondentieadres in Polen heeft doorgegeven, waarna de oproep van de zitting van 24 mei 2023 naar dit adres is verzonden.
Daarnaast was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces, want in het EAB staat dat hij bij het vooronderzoek aanwezig is geweest waar zogenoemde procesafspraken zijn gemaakt. Tijdens dit vooronderzoek stemde hij in met de, door de officier van justitie voorgestelde, straf. Bovendien heeft hij, nadat op 24 mei 2023 vonnis is gewezen, bij brief van 1 juni 2023 aangegeven geen hoger beroep te zullen instellen en bereid te zijn de straf te ondergaan.
Uit de omstandigheid dat de oproeping voor de zitting is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, terwijl zijn advocaat tijdens die zitting heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de datum van die zitting leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces. Aan de eis dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces is dus voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd die ter terechtzitting daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. De rechtbank merkt daarbij op dat een door de opgeëiste persoon verleende machtiging aan zijn advocaat om hem ter zitting te vertegenwoordigen zich in beginsel ook uitstrekt over eventuele plaatsvervangers, waarnemers of trainees van die advocaat.10 De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 3 van de Opiumwet.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.11
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.12
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeeïste persoon] aan the Regional Court, III Criminal Division in Szczecin, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
1Zie artikel 23 OLW.
2Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3Zie onderdeel e) van het EAB.
4HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).
5Zie punt 71- 72.
6Zie punt 73-74.
7HvJ EU, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:333 (Dworzecki), punt 68.
8Rb. Amsterdam 24 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8029.
9Vgl. Rb. Amsterdam 3 juli 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4256, 27 juli 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN4369 en Rb. Amsterdam 27 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5427.
10Vgl. Rb. Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4868 en Rb. Amsterdam 24 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8029.
11Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
12Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
